NL: napratenSynoniemen: nababbelen, nabauwen, nazeggen, nabouwen, herhalen, echoën
DE: napraten (doorpraten na afloop): noch ein wenig plaudern
EN: napraten (doorpraten na afloop): talk on
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
nagepraat
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik praat na jij praat na hij praat na wij praten na jullie praten na zij praten na
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb nagepraat jij hebt nagepraat hij heeft nagepraat wij hebben nagepraat jullie hebben nagepraat zij hebben nagepraat
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik praatte na jij praatte na hij praatte na wij praatten na jullie praatten na zij praatten na
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had nagepraat jij had nagepraat hij had nagepraat wij hadden nagepraat jullie hadden nagepraat zij hadden nagepraat
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal napraten jij zult napraten hij zal napraten wij zullen napraten jullie zullen napraten zij zullen napraten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal nagepraat hebben jij zult nagepraat hebben hij zal nagepraat hebben wij zullen nagepraat hebben jullie zullen nagepraat hebben zij zullen nagepraat hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou napraten jij zou napraten hij zou napraten wij zouden napraten jullie zouden napraten zij zouden napraten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou nagepraat hebben jij zou nagepraat hebben hij zou nagepraat hebben wij zouden nagepraat hebben jullie zouden nagepraat hebben zij zouden nagepraat hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
praat na
|