| Vervoegen: nagaan |
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
| nagegaan |
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
| ik ga na jij gaat na hij gaat na wij gaan na jullie gaan na zij gaan na |
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
| ik ben nagegaan jij bent nagegaan hij is nagegaan wij zijn nagegaan jullie zijn nagegaan zij zijn nagegaan |
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
| ik ging na jij ging na hij ging na wij gingen na jullie gingen na zij gingen na |
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
| ik was nagegaan jij was nagegaan hij was nagegaan wij waren nagegaan jullie waren nagegaan zij waren nagegaan |
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
| ik zal nagaan jij zult nagaan hij zal nagaan wij zullen nagaan jullie zullen nagaan zij zullen nagaan |
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
| ik zal nagegaan zijn jij zult nagegaan zijn hij zal nagegaan zijn wij zullen nagegaan zijn jullie zullen nagegaan zijn zij zullen nagegaan zijn |
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
| ik zou nagaan jij zou nagaan hij zou nagaan wij zouden nagaan jullie zouden nagaan zij zouden nagaan |
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
| ik zou nagegaan zijn jij zou nagegaan zijn hij zou nagegaan zijn wij zouden nagegaan zijn jullie zouden nagegaan zijn zij zouden nagegaan zijn |
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
| ga na |