NL: nadragenSynoniemen: laken, blameren, beschuldigen, aanwrijven, voorhouden, verwijten, gispen, berispen, aanrekenen
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
nagedragen
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik draag na jij draagt na hij draagt na wij dragen na jullie dragen na zij dragen na
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb nagedragen jij hebt nagedragen hij heeft nagedragen wij hebben nagedragen jullie hebben nagedragen zij hebben nagedragen
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik droeg na jij droeg na hij droeg na wij droegen na jullie droegen na zij droegen na
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had nagedragen jij had nagedragen hij had nagedragen wij hadden nagedragen jullie hadden nagedragen zij hadden nagedragen
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal nadragen jij zult nadragen hij zal nadragen wij zullen nadragen jullie zullen nadragen zij zullen nadragen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal nagedragen hebben jij zult nagedragen hebben hij zal nagedragen hebben wij zullen nagedragen hebben jullie zullen nagedragen hebben zij zullen nagedragen hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou nadragen jij zou nadragen hij zou nadragen wij zouden nadragen jullie zouden nadragen zij zouden nadragen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou nagedragen hebben jij zou nagedragen hebben hij zou nagedragen hebben wij zouden nagedragen hebben jullie zouden nagedragen hebben zij zouden nagedragen hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
draag na
|