| Vervoegen: nachtbraken |
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
| genachtbraakt |
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
| ik nachtbraak jij nachtbraakt hij nachtbraakt wij nachtbraaken jullie nachtbraaken zij nachtbraaken |
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
| ik heb genachtbraakt jij hebt genachtbraakt hij heeft genachtbraakt wij hebben genachtbraakt jullie hebben genachtbraakt zij hebben genachtbraakt |
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
| ik nachtbraakte jij nachtbraakte hij nachtbraakte wij nachtbraakten jullie nachtbraakten zij nachtbraakten |
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
| ik had genachtbraakt jij had genachtbraakt hij had genachtbraakt wij hadden genachtbraakt jullie hadden genachtbraakt zij hadden genachtbraakt |
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
| ik zal nachtbraaken jij zult nachtbraaken hij zal nachtbraaken wij zullen nachtbraaken jullie zullen nachtbraaken zij zullen nachtbraaken |
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
| ik zal genachtbraakt hebben jij zult genachtbraakt hebben hij zal genachtbraakt hebben wij zullen genachtbraakt hebben jullie zullen genachtbraakt hebben zij zullen genachtbraakt hebben |
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
| ik zou nachtbraaken jij zou nachtbraaken hij zou nachtbraaken wij zouden nachtbraaken jullie zouden nachtbraaken zij zouden nachtbraaken |
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
| ik zou genachtbraakt hebben jij zou genachtbraakt hebben hij zou genachtbraakt hebben wij zouden genachtbraakt hebben jullie zouden genachtbraakt hebben zij zouden genachtbraakt hebben |
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
| nachtbraak |