NL: mountainbiken U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gemountainbiket
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik mountainbike jij mountainbiket hij mountainbiket wij mountainbiken jullie mountainbiken zij mountainbiken
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gemountainbiket jij hebt gemountainbiket hij heeft gemountainbiket wij hebben gemountainbiket jullie hebben gemountainbiket zij hebben gemountainbiket
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik mountainbikete jij mountainbikete hij mountainbikete wij mountainbiketen jullie mountainbiketen zij mountainbiketen
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gemountainbiket jij had gemountainbiket hij had gemountainbiket wij hadden gemountainbiket jullie hadden gemountainbiket zij hadden gemountainbiket
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal mountainbiken jij zult mountainbiken hij zal mountainbiken wij zullen mountainbiken jullie zullen mountainbiken zij zullen mountainbiken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gemountainbiket hebben jij zult gemountainbiket hebben hij zal gemountainbiket hebben wij zullen gemountainbiket hebben jullie zullen gemountainbiket hebben zij zullen gemountainbiket hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou mountainbiken jij zou mountainbiken hij zou mountainbiken wij zouden mountainbiken jullie zouden mountainbiken zij zouden mountainbiken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gemountainbiket hebben jij zou gemountainbiket hebben hij zou gemountainbiket hebben wij zouden gemountainbiket hebben jullie zouden gemountainbiket hebben zij zouden gemountainbiket hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
mountainbike
|