NL: moonwalken U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gemoonwalkt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik moonwalk jij moonwalkt hij moonwalkt wij moonwalken jullie moonwalken zij moonwalken
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gemoonwalkt jij hebt gemoonwalkt hij heeft gemoonwalkt wij hebben gemoonwalkt jullie hebben gemoonwalkt zij hebben gemoonwalkt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik moonwalkte jij moonwalkte hij moonwalkte wij moonwalkten jullie moonwalkten zij moonwalkten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gemoonwalkt jij had gemoonwalkt hij had gemoonwalkt wij hadden gemoonwalkt jullie hadden gemoonwalkt zij hadden gemoonwalkt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal moonwalken jij zult moonwalken hij zal moonwalken wij zullen moonwalken jullie zullen moonwalken zij zullen moonwalken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gemoonwalkt hebben jij zult gemoonwalkt hebben hij zal gemoonwalkt hebben wij zullen gemoonwalkt hebben jullie zullen gemoonwalkt hebben zij zullen gemoonwalkt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou moonwalken jij zou moonwalken hij zou moonwalken wij zouden moonwalken jullie zouden moonwalken zij zouden moonwalken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gemoonwalkt hebben jij zou gemoonwalkt hebben hij zou gemoonwalkt hebben wij zouden gemoonwalkt hebben jullie zouden gemoonwalkt hebben zij zouden gemoonwalkt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
moonwalk
|