NL: mokkenSynoniemen: pruilen, kniezen
DE: schmollen, trotzen, maulen
EN: sulk, pout, nurse a grievance
FR: bouder, faire la moue, faire la tête, faire la mine
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gemokt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik mok jij mokt hij mokt wij mokken jullie mokken zij mokken
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gemokt jij hebt gemokt hij heeft gemokt wij hebben gemokt jullie hebben gemokt zij hebben gemokt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik mokte jij mokte hij mokte wij mokten jullie mokten zij mokten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gemokt jij had gemokt hij had gemokt wij hadden gemokt jullie hadden gemokt zij hadden gemokt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal mokken jij zult mokken hij zal mokken wij zullen mokken jullie zullen mokken zij zullen mokken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gemokt hebben jij zult gemokt hebben hij zal gemokt hebben wij zullen gemokt hebben jullie zullen gemokt hebben zij zullen gemokt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou mokken jij zou mokken hij zou mokken wij zouden mokken jullie zouden mokken zij zouden mokken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gemokt hebben jij zou gemokt hebben hij zou gemokt hebben wij zouden gemokt hebben jullie zouden gemokt hebben zij zouden gemokt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
mok
|