EN: to miter| Gerund |
| De Gerund is een ing-vorm die zelfstandig gebruikt kan worden. |
mitering
|
| Present simple (ott) |
| Tegenwoordige tijd zonder ing-vorm. |
I miter you miter he miters we miter you miter they miter
|
| Present perfect (vtt) |
| Have/has + voltooid deelwoord / voltooid tegenwoordige tijd. |
I have mitered you have mitered he has mitered we have mitered you have mitered they have mitered
|
| Past Simple (ovt) |
| Verleden tijd zonder �ing vorm |
I mitered you mitered he mitered we mitered you mitered they mitered
|
| Past perfect (vvt) |
| Had + voltooid deelwoord / voltooid verleden tijd |
I had mitered you had mitered he had mitered we had mitered you had mitered they had mitered
|
| Present future (ottt) |
| Toekomst. Shall / Will + hele werkwoord |
I will miter you will miter he will miter we will miter you will miter they will miter
|
| Present future perfect (vttt) |
| Shall / Will + have + voltooid deelwoord. Het wordt gebruikt om aan te geven dat iets is afgerond op een nader tijdstip in de toekomst. |
I will have mitered you will have mitered he will have mitered we will have mitered you will have mitered they will have mitered
|
| Past future (ovtt) |
| Altijd gevormd door: should/would + inf. Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
I would miter you would miter he would miter we would miter you would miter they would miter
|
| Past future perfect (vvtt) |
| Altijd gevormd door: should/would + have + volt. dw. Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
I would have mitered you would have mitered he would have mitered we would have mitered you would have mitered they would have mitered
|
FR: miter| Participe Passé |
|
mité
|
| Indicatif Présent |
| ott, als in `ik ga` |
je mite tu mites il; elle mite nous mitons vous mitez ils; elles mitent
|
| Indicatif Passé Composé |
| Passé composé = voltooid tegenwoordige tijd. Als in `ik ben gegaan`. Le passé composé wordt gebruikt voor alle op zichzelf staande feiten, nieuwe, éénmalige gebeurtenissen, alle afgesloten handelingen. |
j`ai mité tu as mité il; elle a mité nous avons mité vous avez mité ils; elles ont mité
|
| Indicatif Imparfait |
| ovt, als in `ik ging`. L'imparfait wordt gebruikt voor het weergeven van: (I) een gewoonte (handeling), (II) een toestand/ beschrijving van karakter,uiterlijk, kleding, gemoedstoestand en landschap, (III) een handeling die aan de gang was. |
je mitais tu mitais il; elle mitait nous mitions vous mitiez ils; elles mitaient
|
| Indicatif Plus-Que-Parfait |
| Plus-que-parfait= voltooid verleden tijd. Als in `ik was gegaan` |
j`avais mité tu avais mité il; elle avait mité nous avions mité vous aviez mité ils; elles avaient mité
|
| Indicatif Passé Simple |
| vtt, als in `ik ging`. Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
je mitai tu mitas il; elle mita nous mitâmes vous mitâtes ils; elles mitèrent
|
| Indicatif Passé Antérieur |
| vvtt, als in `ik zou gegaan zijn` |
j`eus mité tu eus mité il; elle eut mité nous eûmes mité vous eûtes mité ils; elles eurent mité
|
| Indicatif Futur Simple |
| ottt, als in `ik zal gaan` |
je miterai tu miteras il; elle mitera nous miterons vous miterez ils; elles miteront
|
| Indicatif Futur Antérieur |
| vttt, als in `Ik zal gegaan zijn` |
j`aurai mité tu auras mité il; elle aura mité nous aurons mité vous aurez mité ils; elles auront mité
|
| Subjonctif Présent |
| Aanvoegende wijs, heden. Men gebruikt het subjonctif in een onderschikkende bijzin die begint met `que`, na werkwoorden die een gevoel weergeven: être content = blij zijn, être triste= bedroefd zijn |
je mite tu mites il; elle mite nous mitions vous mitiez ils; elles mitent
|
| Subjonctif Passé |
| Aanvoegende wijs, verleden. Vooral gebruikt in de schrijftaal. |
j`aie mité tu aies mité il; elle ait mité nous ayons mité vous ayez mité ils; elles aient mité
|
| Subjonctif Imparfait |
| Aanvoegende wijs. Vooral gebruikt in de schrijftaal. L'imparfait wordt gebruikt voor het weergeven van: (I) een gewoonte (handeling), (II) een toestand/ beschrijving van karakter,uiterlijk, kleding, gemoedstoestand en landschap, (III) een handeling die aan de gang was |
je mitasse tu mitasses il; elle mitât nous mitassions vous mitassiez ils; elles mitassent
|
| Subjonctif Plus-Que-Parfait |
| Aanvoegende wijs, voltooid deelwoord. Vooral gebruikt in de schrijftaal. |
j`eusse mité tu eusses mité il; elle eût mité nous eussions mité vous eussiez mité ils; elles eussent mité
|
| Conditionnel Présent |
| ovtt. Met de conditionnel présent kan je een voorwaarde uitdrukken, als in `ik zou gaan` |
je miterais tu miterais il; elle miterait nous miterions vous miteriez ils; elles miteraient
|
| Conditionnel Passé |
| vvtt. De conditionnel passé gebruik je om een voorwaarde in het verleden te stellen, als in `ik zou gegaan zijn` |
j`aurais mité tu aurais mité il; elle aurait mité nous aurions mité vous auriez mité ils; elles auraient mité
|
| Impératif Présent |
| gebiedende wijs als in `Ga!` |
(tu) mite, (nous) mitons (vous) mitez
|