NL: mistrouwen U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
mistrouwd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik mistrouw jij mistrouwt hij mistrouwt wij mistrouwen jullie mistrouwen zij mistrouwen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb mistrouwd jij hebt mistrouwd hij heeft mistrouwd wij hebben mistrouwd jullie hebben mistrouwd zij hebben mistrouwd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik mistrouwde jij mistrouwde hij mistrouwde wij mistrouwden jullie mistrouwden zij mistrouwden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had mistrouwd jij had mistrouwd hij had mistrouwd wij hadden mistrouwd jullie hadden mistrouwd zij hadden mistrouwd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal mistrouwen jij zult mistrouwen hij zal mistrouwen wij zullen mistrouwen jullie zullen mistrouwen zij zullen mistrouwen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal mistrouwd hebben jij zult mistrouwd hebben hij zal mistrouwd hebben wij zullen mistrouwd hebben jullie zullen mistrouwd hebben zij zullen mistrouwd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou mistrouwen jij zou mistrouwen hij zou mistrouwen wij zouden mistrouwen jullie zouden mistrouwen zij zouden mistrouwen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou mistrouwd hebben jij zou mistrouwd hebben hij zou mistrouwd hebben wij zouden mistrouwd hebben jullie zouden mistrouwd hebben zij zouden mistrouwd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
mistrouw
|