NL: meurenSynoniemen: slapen, pitten, maffen, walmen, stinken, ruiken, rieken, geuren
EN: meuren (maffen): sleep, be asleep, snooze
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gemeurd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik meur jij meurt hij meurt wij meuren jullie meuren zij meuren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gemeurd jij hebt gemeurd hij heeft gemeurd wij hebben gemeurd jullie hebben gemeurd zij hebben gemeurd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik meurde jij meurde hij meurde wij meurden jullie meurden zij meurden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gemeurd jij had gemeurd hij had gemeurd wij hadden gemeurd jullie hadden gemeurd zij hadden gemeurd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal meuren jij zult meuren hij zal meuren wij zullen meuren jullie zullen meuren zij zullen meuren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gemeurd hebben jij zult gemeurd hebben hij zal gemeurd hebben wij zullen gemeurd hebben jullie zullen gemeurd hebben zij zullen gemeurd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou meuren jij zou meuren hij zou meuren wij zouden meuren jullie zouden meuren zij zouden meuren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gemeurd hebben jij zou gemeurd hebben hij zou gemeurd hebben wij zouden gemeurd hebben jullie zouden gemeurd hebben zij zouden gemeurd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
meur
|