NL: metselenDE: mauern, metseln, bauen
EN: lay bricks
ES: hacer trabajos de albañileria, construir
FR: maçonner
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gemetseld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik metsel jij metselt hij metselt wij metselen jullie metselen zij metselen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gemetseld jij hebt gemetseld hij heeft gemetseld wij hebben gemetseld jullie hebben gemetseld zij hebben gemetseld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik metselde jij metselde hij metselde wij metselden jullie metselden zij metselden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gemetseld jij had gemetseld hij had gemetseld wij hadden gemetseld jullie hadden gemetseld zij hadden gemetseld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal metselen jij zult metselen hij zal metselen wij zullen metselen jullie zullen metselen zij zullen metselen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gemetseld hebben jij zult gemetseld hebben hij zal gemetseld hebben wij zullen gemetseld hebben jullie zullen gemetseld hebben zij zullen gemetseld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou metselen jij zou metselen hij zou metselen wij zouden metselen jullie zouden metselen zij zouden metselen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gemetseld hebben jij zou gemetseld hebben hij zou gemetseld hebben wij zouden gemetseld hebben jullie zouden gemetseld hebben zij zouden gemetseld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
metsel
|