NL: menenSynoniemen: bedoelen, denken, serieus zijn
DE: menen (van mening zijn): meinen, finden, der Meinung sein
EN: menen (van mening zijn): be of the opinion
ES: menen (van mening zijn): opinar, pretender, querer decir, referirse
FR: menen (van mening zijn): être d'avis, être d'opinion
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gemeend
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik meen jij meent hij meent wij menen jullie menen zij menen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gemeend jij hebt gemeend hij heeft gemeend wij hebben gemeend jullie hebben gemeend zij hebben gemeend
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik meende jij meende hij meende wij meenden jullie meenden zij meenden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gemeend jij had gemeend hij had gemeend wij hadden gemeend jullie hadden gemeend zij hadden gemeend
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal menen jij zult menen hij zal menen wij zullen menen jullie zullen menen zij zullen menen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gemeend hebben jij zult gemeend hebben hij zal gemeend hebben wij zullen gemeend hebben jullie zullen gemeend hebben zij zullen gemeend hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou menen jij zou menen hij zou menen wij zouden menen jullie zouden menen zij zouden menen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gemeend hebben jij zou gemeend hebben hij zou gemeend hebben wij zouden gemeend hebben jullie zouden gemeend hebben zij zouden gemeend hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
meen
|