NL: meetellenSynoniemen: meedoen, meerekenen
EN: meetellen (erbij rekenen): include, count in, figure in
FR: meetellen (erbij rekenen): inclure, compter, calculer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
meegeteld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik tel mee jij telt mee hij telt mee wij tellen mee jullie tellen mee zij tellen mee
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb meegeteld jij hebt meegeteld hij heeft meegeteld wij hebben meegeteld jullie hebben meegeteld zij hebben meegeteld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik telde mee jij telde mee hij telde mee wij telden mee jullie telden mee zij telden mee
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had meegeteld jij had meegeteld hij had meegeteld wij hadden meegeteld jullie hadden meegeteld zij hadden meegeteld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal meetellen jij zult meetellen hij zal meetellen wij zullen meetellen jullie zullen meetellen zij zullen meetellen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal meegeteld hebben jij zult meegeteld hebben hij zal meegeteld hebben wij zullen meegeteld hebben jullie zullen meegeteld hebben zij zullen meegeteld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou meetellen jij zou meetellen hij zou meetellen wij zouden meetellen jullie zouden meetellen zij zouden meetellen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou meegeteld hebben jij zou meegeteld hebben hij zou meegeteld hebben wij zouden meegeteld hebben jullie zouden meegeteld hebben zij zouden meegeteld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
tel mee
|