NL: mazelenDE: der Masern
EN: the measles
ES: el sarampión
FR: la rougeole
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gemazeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik mazel jij mazelt hij mazelt wij mazelen jullie mazelen zij mazelen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gemazeld jij hebt gemazeld hij heeft gemazeld wij hebben gemazeld jullie hebben gemazeld zij hebben gemazeld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik mazelde jij mazelde hij mazelde wij mazelden jullie mazelden zij mazelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gemazeld jij had gemazeld hij had gemazeld wij hadden gemazeld jullie hadden gemazeld zij hadden gemazeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal mazelen jij zult mazelen hij zal mazelen wij zullen mazelen jullie zullen mazelen zij zullen mazelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gemazeld hebben jij zult gemazeld hebben hij zal gemazeld hebben wij zullen gemazeld hebben jullie zullen gemazeld hebben zij zullen gemazeld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou mazelen jij zou mazelen hij zou mazelen wij zouden mazelen jullie zouden mazelen zij zouden mazelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gemazeld hebben jij zou gemazeld hebben hij zou gemazeld hebben wij zouden gemazeld hebben jullie zouden gemazeld hebben zij zouden gemazeld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
mazel
|