NL: marmerenDE: marmorieren
EN: marble
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gemarmerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik marmer jij marmert hij marmert wij marmeren jullie marmeren zij marmeren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gemarmerd jij hebt gemarmerd hij heeft gemarmerd wij hebben gemarmerd jullie hebben gemarmerd zij hebben gemarmerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik marmerde jij marmerde hij marmerde wij marmerden jullie marmerden zij marmerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gemarmerd jij had gemarmerd hij had gemarmerd wij hadden gemarmerd jullie hadden gemarmerd zij hadden gemarmerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal marmeren jij zult marmeren hij zal marmeren wij zullen marmeren jullie zullen marmeren zij zullen marmeren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gemarmerd hebben jij zult gemarmerd hebben hij zal gemarmerd hebben wij zullen gemarmerd hebben jullie zullen gemarmerd hebben zij zullen gemarmerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou marmeren jij zou marmeren hij zou marmeren wij zouden marmeren jullie zouden marmeren zij zouden marmeren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gemarmerd hebben jij zou gemarmerd hebben hij zou gemarmerd hebben wij zouden gemarmerd hebben jullie zouden gemarmerd hebben zij zouden gemarmerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
marmer
|