Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen

malen vervoegen




DE: malen

NL: malen
Synoniemen: verven, lakken, beschilderen, schilderen

DE: firnissen, lackieren, anstreichen
EN: dye, paint

U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)

Voltooid deelwoord
Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen`
gemalen
Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt.
ik maal
jij maalt
hij maalt
wij malen
jullie malen
zij malen
Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn.
ik heb gemalen
jij hebt gemalen
hij heeft gemalen
wij hebben gemalen
jullie hebben gemalen
zij hebben gemalen
Onvoltooid verleden tijd (ovt)
Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is.
ik maalde
jij maalde
hij maalde
wij maalden
jullie maalden
zij maalden
Voltooid verleden tijd (vvt)
wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren.
ik had gemalen
jij had gemalen
hij had gemalen
wij hadden gemalen
jullie hadden gemalen
zij hadden gemalen
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden.
ik zal malen
jij zult malen
hij zal malen
wij zullen malen
jullie zullen malen
zij zullen malen
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn.
ik zal gemalen hebben
jij zult gemalen hebben
hij zal gemalen hebben
wij zullen gemalen hebben
jullie zullen gemalen hebben
zij zullen gemalen hebben
Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden.
ik zou malen
jij zou malen
hij zou malen
wij zouden malen
jullie zouden malen
zij zouden malen
Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn.
ik zou gemalen hebben
jij zou gemalen hebben
hij zou gemalen hebben
wij zouden gemalen hebben
jullie zouden gemalen hebben
zij zouden gemalen hebben
Gebiedende wijs
bv. `Ga weg!`
maal


DE: malen
Synoniemen: firnissen, lackieren, anstreichen

NL: verven, lakken, beschilderen, schilderen
EN: dye, paint
Partizip Perfekt & Präsens
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II)
`komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I)
gemalt
malend
Indikativ Präsens
der Indikativ = aantonende wijs
ich male
du malst
er malt
wir malen
ihr malt
sie; Sie malen
Indikativ Perfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich bin gemalt
du hast gemalt
er hat gemalt
wir haben gemalt
ihr habt gemalt
sie; Sie haben gemalt
Indikativ Präteritum
der Indikativ = aantonende wijs
ich malte
du maltest
er malte
wir malten
ihr maltet
sie; Sie malten
Indikativ Plusquamperfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich war gemalt
du hattest gemalt
er hatte gemalt
wir hatten gemalt
ihr hattet gemalt
sie; Sie hatten gemalt
Indikativ Futur I
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde malen
du wirst malen
er wird malen
wir werden malen
ihr werdet malen
sie; Sie werden malen
Indikativ Futur II
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde gemalt sein
du wirst gemalt haben
er wird gemalt haben
wir werden gemalt haben
ihr werdet gemalt haben
sie; Sie werden gemalt haben
Konjunktiv I Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich male
du malest
er male
wir malen
ihr malet
sie; Sie malen
Konjunktiv I Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich sei gemalt
du habest gemalt
er habe gemalt
wir haben gemalt
ihr habet gemalt
sie; Sie haben gemalt
Konjunktiv II Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich malte
du maltest
er malte
wir malten
ihr maltet
sie; Sie malten
Konjunktiv II Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich hätte gemalt ; wäre gemalt
du hättest gemalt
er hätte gemalt
wir hätten gemalt
ihr hättet gemalt
sie; Sie hätten gemalt
Konjunktiv II Futur I
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde malen
du würdest malen
er würde malen
wir würden malen
ihr würdet malen
sie; Sie würden malen
Konjunktiv II Futur II
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde gemalt sein
du würdest gemalt haben
er würde gemalt haben
wir würden gemalt haben
ihr würdet gemalt haben
sie; Sie würden gemalt haben
der Imperativ
der Imperativ = gebiedende wijs
du male

Directe link naar deze pagina:

http://www.mijnwoordenboek.nl/werkwoord/malen

Werkwoorden A tot (en met) Z

Nederlandse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Duitse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Engelse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Franse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Spaanse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Vervoegen

avoir être willen send sein
© Mijnwoordenboek MMXI | Contact | Privacy | Vaakst vertaald