NL: maaienSynoniemen: afsnijden, oogsten, gemaai, snoei, scheren, pesterij, ergernis
DE: mähen
EN: mow
ES: dallar
FR: faucher
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gemaaid
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik maai jij maait hij maait wij maaien jullie maaien zij maaien
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gemaaid jij hebt gemaaid hij heeft gemaaid wij hebben gemaaid jullie hebben gemaaid zij hebben gemaaid
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik maaide jij maaide hij maaide wij maaiden jullie maaiden zij maaiden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gemaaid jij had gemaaid hij had gemaaid wij hadden gemaaid jullie hadden gemaaid zij hadden gemaaid
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal maaien jij zult maaien hij zal maaien wij zullen maaien jullie zullen maaien zij zullen maaien
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gemaaid hebben jij zult gemaaid hebben hij zal gemaaid hebben wij zullen gemaaid hebben jullie zullen gemaaid hebben zij zullen gemaaid hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou maaien jij zou maaien hij zou maaien wij zouden maaien jullie zouden maaien zij zouden maaien
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gemaaid hebben jij zou gemaaid hebben hij zou gemaaid hebben wij zouden gemaaid hebben jullie zouden gemaaid hebben zij zouden gemaaid hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
maai
|