NL: lynchenSynoniemen: lynchen
EN: lynch
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gelyncht
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik lynch jij lyncht hij lyncht wij lynchen jullie lynchen zij lynchen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gelyncht jij hebt gelyncht hij heeft gelyncht wij hebben gelyncht jullie hebben gelyncht zij hebben gelyncht
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik lynchte jij lynchte hij lynchte wij lynchten jullie lynchten zij lynchten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gelyncht jij had gelyncht hij had gelyncht wij hadden gelyncht jullie hadden gelyncht zij hadden gelyncht
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal lynchen jij zult lynchen hij zal lynchen wij zullen lynchen jullie zullen lynchen zij zullen lynchen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gelyncht hebben jij zult gelyncht hebben hij zal gelyncht hebben wij zullen gelyncht hebben jullie zullen gelyncht hebben zij zullen gelyncht hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou lynchen jij zou lynchen hij zou lynchen wij zouden lynchen jullie zouden lynchen zij zouden lynchen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gelyncht hebben jij zou gelyncht hebben hij zou gelyncht hebben wij zouden gelyncht hebben jullie zouden gelyncht hebben zij zouden gelyncht hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
lynch
|
DE: lynchenNL: lynchen
EN: lynch
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
gelyncht lynchend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich lynche du lynchst er lyncht wir lynchen ihr lyncht sie; Sie lynchen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich bin gelyncht du hast gelyncht er hat gelyncht wir haben gelyncht ihr habt gelyncht sie; Sie haben gelyncht
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich lynchte du lynchtest er lynchte wir lynchten ihr lynchtet sie; Sie lynchten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich war gelyncht du hattest gelyncht er hatte gelyncht wir hatten gelyncht ihr hattet gelyncht sie; Sie hatten gelyncht
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde lynchen du wirst lynchen er wird lynchen wir werden lynchen ihr werdet lynchen sie; Sie werden lynchen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde gelyncht sein du wirst gelyncht haben er wird gelyncht haben wir werden gelyncht haben ihr werdet gelyncht haben sie; Sie werden gelyncht haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich lynche du lynchest er lynche wir lynchen ihr lynchet sie; Sie lynchen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich sei gelyncht du habest gelyncht er habe gelyncht wir haben gelyncht ihr habet gelyncht sie; Sie haben gelyncht
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich lynchte du lynchtest er lynchte wir lynchten ihr lynchtet sie; Sie lynchten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte gelyncht du hättest gelyncht er hätte gelyncht wir hätten gelyncht ihr hättet gelyncht sie; Sie hätten gelyncht
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde lynchen du würdest lynchen er würde lynchen wir würden lynchen ihr würdet lynchen sie; Sie würden lynchen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde gelyncht haben du würdest gelyncht haben er würde gelyncht haben wir würden gelyncht haben ihr würdet gelyncht haben sie; Sie würden gelyncht haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du lynche
|