NL: louterenSynoniemen: reinigen, verbeteren, kuisen, klaren
DE: louteren (in zedelijk opzicht zuiveren): reinigen, säubern, läutern, klären, aufklären, abtreiben
EN: louteren (in zedelijk opzicht zuiveren): refine, purify, chasten, ennoble
ES: louteren (in zedelijk opzicht zuiveren): purgar, purificar, expurgar
FR: louteren (in zedelijk opzicht zuiveren): nettoyer, purger, purifier, épurer, laver
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gelouterd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik louter jij loutert hij loutert wij louteren jullie louteren zij louteren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gelouterd jij hebt gelouterd hij heeft gelouterd wij hebben gelouterd jullie hebben gelouterd zij hebben gelouterd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik louterde jij louterde hij louterde wij louterden jullie louterden zij louterden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gelouterd jij had gelouterd hij had gelouterd wij hadden gelouterd jullie hadden gelouterd zij hadden gelouterd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal louteren jij zult louteren hij zal louteren wij zullen louteren jullie zullen louteren zij zullen louteren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gelouterd hebben jij zult gelouterd hebben hij zal gelouterd hebben wij zullen gelouterd hebben jullie zullen gelouterd hebben zij zullen gelouterd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou louteren jij zou louteren hij zou louteren wij zouden louteren jullie zouden louteren zij zouden louteren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gelouterd hebben jij zou gelouterd hebben hij zou gelouterd hebben wij zouden gelouterd hebben jullie zouden gelouterd hebben zij zouden gelouterd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
louter
|