NL: logerenSynoniemen: bivakkeren, overnachten, wonen, verblijven, resideren, leven
DE: logeren (overnachten): übernachten, logieren
EN: logeren (overnachten): stay over, spend the night, stay
ES: logeren (overnachten): hospedarse, quedarse a dormir, pasar la noche
FR: logeren (overnachten): passer la nuit, coucher
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gelogeerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik logeer jij logeert hij logeert wij logeren jullie logeren zij logeren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gelogeerd jij hebt gelogeerd hij heeft gelogeerd wij hebben gelogeerd jullie hebben gelogeerd zij hebben gelogeerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik logeerde jij logeerde hij logeerde wij logeerden jullie logeerden zij logeerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gelogeerd jij had gelogeerd hij had gelogeerd wij hadden gelogeerd jullie hadden gelogeerd zij hadden gelogeerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal logeren jij zult logeren hij zal logeren wij zullen logeren jullie zullen logeren zij zullen logeren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gelogeerd hebben jij zult gelogeerd hebben hij zal gelogeerd hebben wij zullen gelogeerd hebben jullie zullen gelogeerd hebben zij zullen gelogeerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou logeren jij zou logeren hij zou logeren wij zouden logeren jullie zouden logeren zij zouden logeren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gelogeerd hebben jij zou gelogeerd hebben hij zou gelogeerd hebben wij zouden gelogeerd hebben jullie zouden gelogeerd hebben zij zouden gelogeerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
logeer
|