NL: loensenSynoniemen: scheel kijken, schuin kijken
DE: schielen
EN: squint, skew
ES: bizquear, mirar bizco
FR: loucher
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geloenst
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik loens jij loenst hij loenst wij loensen jullie loensen zij loensen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geloenst jij hebt geloenst hij heeft geloenst wij hebben geloenst jullie hebben geloenst zij hebben geloenst
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik loenste jij loenste hij loenste wij loensten jullie loensten zij loensten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geloenst jij had geloenst hij had geloenst wij hadden geloenst jullie hadden geloenst zij hadden geloenst
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal loensen jij zult loensen hij zal loensen wij zullen loensen jullie zullen loensen zij zullen loensen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geloenst hebben jij zult geloenst hebben hij zal geloenst hebben wij zullen geloenst hebben jullie zullen geloenst hebben zij zullen geloenst hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou loensen jij zou loensen hij zou loensen wij zouden loensen jullie zouden loensen zij zouden loensen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geloenst hebben jij zou geloenst hebben hij zou geloenst hebben wij zouden geloenst hebben jullie zouden geloenst hebben zij zouden geloenst hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
loens
|