DE: locken| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
gelockt lockend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich locke du lockst er lockt wir locken ihr lockt sie; Sie locken
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe gelockt du hast gelockt er hat gelockt wir haben gelockt ihr habt gelockt sie; Sie haben gelockt
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich lockte du locktest er lockte wir lockten ihr locktet sie; Sie lockten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte gelockt du hattest gelockt er hatte gelockt wir hatten gelockt ihr hattet gelockt sie; Sie hatten gelockt
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde locken du wirst locken er wird locken wir werden locken ihr werdet locken sie; Sie werden locken
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde gelockt haben du wirst gelockt haben er wird gelockt haben wir werden gelockt haben ihr werdet gelockt haben sie; Sie werden gelockt haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich locke du lockest er locke wir locken ihr locket sie; Sie locken
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe gelockt du habest gelockt er habe gelockt wir haben gelockt ihr habet gelockt sie; Sie haben gelockt
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich lockte du locktest er lockte wir lockten ihr locktet sie; Sie lockten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte gelockt du hättest gelockt er hätte gelockt wir hätten gelockt ihr hättet gelockt sie; Sie hätten gelockt
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde locken du würdest locken er würde locken wir würden locken ihr würdet locken sie; Sie würden locken
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde gelockt haben du würdest gelockt haben er würde gelockt haben wir würden gelockt haben ihr würdet gelockt haben sie; Sie würden gelockt haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du locke
|
NL: locken U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gelockt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik lock jij lockt hij lockt wij locken jullie locken zij locken
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gelockt jij hebt gelockt hij heeft gelockt wij hebben gelockt jullie hebben gelockt zij hebben gelockt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik lockte jij lockte hij lockte wij lockten jullie lockten zij lockten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gelockt jij had gelockt hij had gelockt wij hadden gelockt jullie hadden gelockt zij hadden gelockt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal locken jij zult locken hij zal locken wij zullen locken jullie zullen locken zij zullen locken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gelockt hebben jij zult gelockt hebben hij zal gelockt hebben wij zullen gelockt hebben jullie zullen gelockt hebben zij zullen gelockt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou locken jij zou locken hij zou locken wij zouden locken jullie zouden locken zij zouden locken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gelockt hebben jij zou gelockt hebben hij zou gelockt hebben wij zouden gelockt hebben jullie zouden gelockt hebben zij zouden gelockt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
lock
|