NL: liggenSynoniemen: begraven zijn, lag, lagen, lig, ligt, rusten, verblijf houden
DE: liegen
EN: be situated
ES: estar, encontrarse
FR: être situé
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gelegen
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik lig jij ligt hij ligt wij liggen jullie liggen zij liggen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gelegen jij hebt gelegen hij heeft gelegen wij hebben gelegen jullie hebben gelegen zij hebben gelegen
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik lag jij lag hij lag wij lagen jullie lagen zij lagen
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gelegen jij had gelegen hij had gelegen wij hadden gelegen jullie hadden gelegen zij hadden gelegen
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal liggen jij zult liggen hij zal liggen wij zullen liggen jullie zullen liggen zij zullen liggen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gelegen hebben jij zult gelegen hebben hij zal gelegen hebben wij zullen gelegen hebben jullie zullen gelegen hebben zij zullen gelegen hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou liggen jij zou liggen hij zou liggen wij zouden liggen jullie zouden liggen zij zouden liggen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gelegen hebben jij zou gelegen hebben hij zou gelegen hebben wij zouden gelegen hebben jullie zouden gelegen hebben zij zouden gelegen hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
lig
|