NL: liften U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gelift
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik lift jij lift hij lift wij liften jullie liften zij liften
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gelift jij hebt gelift hij heeft gelift wij hebben gelift jullie hebben gelift zij hebben gelift
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik liftte jij liftte hij liftte wij liftten jullie liftten zij liftten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gelift jij had gelift hij had gelift wij hadden gelift jullie hadden gelift zij hadden gelift
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal liften jij zult liften hij zal liften wij zullen liften jullie zullen liften zij zullen liften
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gelift hebben jij zult gelift hebben hij zal gelift hebben wij zullen gelift hebben jullie zullen gelift hebben zij zullen gelift hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou liften jij zou liften hij zou liften wij zouden liften jullie zouden liften zij zouden liften
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gelift hebben jij zou gelift hebben hij zou gelift hebben wij zouden gelift hebben jullie zouden gelift hebben zij zouden gelift hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
lift
|
DE: liften| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
geliftet liftend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich lifte du liftest er liftet wir liften ihr liftet sie; Sie liften
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe geliftet du hast geliftet er hat geliftet wir haben geliftet ihr habt geliftet sie; Sie haben geliftet
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich liftete du liftetest er liftete wir lifteten ihr liftetet sie; Sie lifteten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte geliftet du hattest geliftet er hatte geliftet wir hatten geliftet ihr hattet geliftet sie; Sie hatten geliftet
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde liften du wirst liften er wird liften wir werden liften ihr werdet liften sie; Sie werden liften
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde geliftet haben du wirst geliftet haben er wird geliftet haben wir werden geliftet haben ihr werdet geliftet haben sie; Sie werden geliftet haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich lifte du liftest er lifte wir liften ihr liftet sie; Sie liften
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe geliftet du habest geliftet er habe geliftet wir haben geliftet ihr habet geliftet sie; Sie haben geliftet
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich liftete du liftetest er liftete wir lifteten ihr liftetet sie; Sie lifteten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte geliftet du hättest geliftet er hätte geliftet wir hätten geliftet ihr hättet geliftet sie; Sie hätten geliftet
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde liften du würdest liften er würde liften wir würden liften ihr würdet liften sie; Sie würden liften
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde geliftet haben du würdest geliftet haben er würde geliftet haben wir würden geliftet haben ihr würdet geliftet haben sie; Sie würden geliftet haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du lifte
|