NL: liegenSynoniemen: liggen, gelegen zijn
DE: ruhen, gelegen sein, sein, sich befinden, stehen
EN: be situated
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gelogen
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik lieg jij liegt hij liegt wij liegen jullie liegen zij liegen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gelogen jij hebt gelogen hij heeft gelogen wij hebben gelogen jullie hebben gelogen zij hebben gelogen
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik loog jij loog hij loog wij logen jullie logen zij logen
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gelogen jij had gelogen hij had gelogen wij hadden gelogen jullie hadden gelogen zij hadden gelogen
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal liegen jij zult liegen hij zal liegen wij zullen liegen jullie zullen liegen zij zullen liegen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gelogen hebben jij zult gelogen hebben hij zal gelogen hebben wij zullen gelogen hebben jullie zullen gelogen hebben zij zullen gelogen hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou liegen jij zou liegen hij zou liegen wij zouden liegen jullie zouden liegen zij zouden liegen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gelogen hebben jij zou gelogen hebben hij zou gelogen hebben wij zouden gelogen hebben jullie zouden gelogen hebben zij zouden gelogen hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
lieg
|
DE: liegenSynoniemen: ruhen, gelegen sein, sein, sich befinden, stehen
NL: liggen, gelegen zijn
EN: be situated
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
gelegen liegend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich liege du liegst er liegt wir liegen ihr liegt sie; Sie liegen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe gelegen du hast gelegen er hat gelegen wir haben gelegen ihr habt gelegen sie; Sie haben gelegen
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich lag du lagst er lag wir lagen ihr lagt sie; Sie lagen
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte gelegen du hattest gelegen er hatte gelegen wir hatten gelegen ihr hattet gelegen sie; Sie hatten gelegen
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde liegen du wirst liegen er wird liegen wir werden liegen ihr werdet liegen sie; Sie werden liegen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde gelegen haben du wirst gelegen haben er wird gelegen haben wir werden gelegen haben ihr werdet gelegen haben sie; Sie werden gelegen haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich liege du liegest er liege wir liegen ihr lieget sie; Sie liegen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe gelegen du habest gelegen er habe gelegen wir haben gelegen ihr habet gelegen sie; Sie haben gelegen
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich läge du lägest er läge wir lägen ihr läget sie; Sie lägen
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte gelegen du hättest gelegen er hätte gelegen wir hätten gelegen ihr hättet gelegen sie; Sie hätten gelegen
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde liegen du würdest liegen er würde liegen wir würden liegen ihr würdet liegen sie; Sie würden liegen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde gelegen haben du würdest gelegen haben er würde gelegen haben wir würden gelegen haben ihr würdet gelegen haben sie; Sie würden gelegen haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du liege; lieg
|