NL: lepelenSynoniemen: oplepelen, scheppen
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gelepeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik lepel jij lepelt hij lepelt wij lepelen jullie lepelen zij lepelen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gelepeld jij hebt gelepeld hij heeft gelepeld wij hebben gelepeld jullie hebben gelepeld zij hebben gelepeld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik lepelde jij lepelde hij lepelde wij lepelden jullie lepelden zij lepelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gelepeld jij had gelepeld hij had gelepeld wij hadden gelepeld jullie hadden gelepeld zij hadden gelepeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal lepelen jij zult lepelen hij zal lepelen wij zullen lepelen jullie zullen lepelen zij zullen lepelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gelepeld hebben jij zult gelepeld hebben hij zal gelepeld hebben wij zullen gelepeld hebben jullie zullen gelepeld hebben zij zullen gelepeld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou lepelen jij zou lepelen hij zou lepelen wij zouden lepelen jullie zouden lepelen zij zouden lepelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gelepeld hebben jij zou gelepeld hebben hij zou gelepeld hebben wij zouden gelepeld hebben jullie zouden gelepeld hebben zij zouden gelepeld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
lepel
|