Werkwoord vervoegen

Typ een werkwoord in één van de talen NL, DE, EN, ES of FR.

Vervoeg

DE: leiden
Synoniemen: leiden an, leiden unter

NL: lijden
EN: suffer


NL: leiden

U: Vervoeg zoals `jij`. Men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`.

Voltooid deelwoord
geleid

Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
ik leid
jij leidt
hij leidt
wij leiden
jullie leiden
zij leiden

Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
dat ik leid
dat jij leidt
dat hij leidt
dat wij leiden
dat jullie leiden
dat zij leiden

Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
ik heb geleid
jij hebt geleid
hij heeft geleid
wij hebben geleid
jullie hebben geleid
zij hebben geleid

Onvoltooid verleden tijd (ovt)
ik leidde
jij leidde
hij leidde
wij leidden
jullie leidden
zij leidden

Onvoltooid verleden tijd (ovt)
dat ik leidde
dat jij leidde
dat hij leidde
dat wij leidden
dat jullie leidden
dat zij leidden

Voltooid verleden tijd (vvt)
ik had geleid
jij had geleid
hij had geleid
wij hadden geleid
jullie hadden geleid
zij hadden geleid

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
ik zal leiden
jij zult leiden
hij zal leiden
wij zullen leiden
jullie zullen leiden
zij zullen leiden

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
ik zal geleid hebben
jij zult geleid hebben
hij zal geleid hebben
wij zullen geleid hebben
jullie zullen geleid hebben
zij zullen geleid hebben

Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
ik zou leiden
jij zou leiden
hij zou leiden
wij zouden leiden
jullie zouden leiden
zij zouden leiden

Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
ik zou geleid hebben
jij zou geleid hebben
hij zou geleid hebben
wij zouden geleid hebben
jullie zouden geleid hebben
zij zouden geleid hebben

Gebiedende wijs
leid



DE: leiden
Partizip Perfekt & Präsens
gelitten
leidend

Indikativ Präsens
ich leide
du leidest
er leidet
wir leiden
ihr leidet
sie; Sie leiden

Indikativ Perfekt
ich bin gelitten
du hast gelitten
er hat gelitten
wir haben gelitten
ihr habt gelitten
sie; Sie haben gelitten

Indikativ Präteritum
ich litt
du littest
er litt
wir litten
ihr littet
sie; Sie litten

Indikativ Plusquamperfekt
ich hatte gelitten
du hattest gelitten
er hatte gelitten
wir hatten gelitten
ihr hattet gelitten
sie; Sie hatten gelitten

Indikativ Futur I
ich werde leiden
du wirst leiden
er wird leiden
wir werden leiden
ihr werdet leiden
sie; Sie werden leiden

Indikativ Futur II
ich werde gelitten haben
du wirst gelitten haben
er wird gelitten haben
wir werden gelitten haben
ihr werdet gelitten haben
sie; Sie werden gelitten haben

Konjunktiv I Präsens
ich leide
du leidest
er leide
wir leiden
ihr leidet
sie; Sie leiden

Konjunktiv I Perfekt
ich habe gelitten
du habest gelitten
er habe gelitten
wir haben gelitten
ihr habet gelitten
sie; Sie haben gelitten

Konjunktiv II Präsens
ich litte
du littest
er litte
wir litten
ihr littet
sie; Sie litten

Konjunktiv II Perfekt
ich hätte gelitten
du hättest gelitten
er hätte gelitten
wir hätten gelitten
ihr hättet gelitten
sie; Sie hätten gelitten

Konjunktiv II Futur I
ich würde leiden
du würdest leiden
er würde leiden
wir würden leiden
ihr würdet leiden
sie; Sie würden leiden

Konjunktiv II Futur II
ich würde gelitten sein
du würdest gelitten haben
er würde gelitten haben
wir würden gelitten haben
ihr würdet gelitten haben
sie; Sie würden gelitten haben

der Imperativ
du leide


Werkwoorden A tot (en met) Z

Nederlandse werkwoorden


Duitse werkwoorden


Engelse werkwoorden


Franse werkwoorden


Spaanse werkwoorden