NL: legenSynoniemen: leggen, plaatsen, zetten, stationeren, deponeren, neerleggen, neerzetten
DE: hinlegen, niederlegen, setzen, stehen, pflanzen, setzen, anpflanzen, bepflanzen, fällen, niederschlagen, hinlegen, niederstrecken, zu Boden werfen, zu Fall bringen
EN: lay, place, deposit, set, laydown, put down, situate, set down, station
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geleegd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik leeg jij leegt hij leegt wij legen jullie legen zij legen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geleegd jij hebt geleegd hij heeft geleegd wij hebben geleegd jullie hebben geleegd zij hebben geleegd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik leegde jij leegde hij leegde wij leegden jullie leegden zij leegden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geleegd jij had geleegd hij had geleegd wij hadden geleegd jullie hadden geleegd zij hadden geleegd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal legen jij zult legen hij zal legen wij zullen legen jullie zullen legen zij zullen legen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geleegd hebben jij zult geleegd hebben hij zal geleegd hebben wij zullen geleegd hebben jullie zullen geleegd hebben zij zullen geleegd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou legen jij zou legen hij zou legen wij zouden legen jullie zouden legen zij zouden legen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geleegd hebben jij zou geleegd hebben hij zou geleegd hebben wij zouden geleegd hebben jullie zouden geleegd hebben zij zouden geleegd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
leeg
|
DE: legenSynoniemen: hinlegen, niederlegen, setzen, stehen, pflanzen, setzen, anpflanzen, bepflanzen, fällen, niederschlagen, hinlegen, niederstrecken, zu Boden werfen, zu Fall bringen
NL: leggen, plaatsen, zetten, stationeren, deponeren, neerleggen, neerzetten
EN: lay, place, deposit, set, laydown, put down, situate, set down, station
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
gelegt legend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich lege du legst er legt wir legen ihr legt sie; Sie legen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe gelegt du hast gelegt er hat gelegt wir haben gelegt ihr habt gelegt sie; Sie haben gelegt
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich legte du legtest er legte wir legten ihr legtet sie; Sie legten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte gelegt du hattest gelegt er hatte gelegt wir hatten gelegt ihr hattet gelegt sie; Sie hatten gelegt
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde legen du wirst legen er wird legen wir werden legen ihr werdet legen sie; Sie werden legen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde gelegt haben du wirst gelegt haben er wird gelegt haben wir werden gelegt haben ihr werdet gelegt haben sie; Sie werden gelegt haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich lege du legest er lege wir legen ihr leget sie; Sie legen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe gelegt ; sei gelegt du habest gelegt er habe gelegt wir haben gelegt ihr habet gelegt sie; Sie haben gelegt
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich legte du legtest er legte wir legten ihr legtet sie; Sie legten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte gelegt du hättest gelegt er hätte gelegt wir hätten gelegt ihr hättet gelegt sie; Sie hätten gelegt
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde legen du würdest legen er würde legen wir würden legen ihr würdet legen sie; Sie würden legen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde gelegt haben du würdest gelegt haben er würde gelegt haben wir würden gelegt haben ihr würdet gelegt haben sie; Sie würden gelegt haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du lege
|