NL: lassenSynoniemen: lassen (gewähren): laten, toelaten, permitteren
EN: lassen (gewähren): allow
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gelast
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik las jij last hij last wij lassen jullie lassen zij lassen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gelast jij hebt gelast hij heeft gelast wij hebben gelast jullie hebben gelast zij hebben gelast
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik laste jij laste hij laste wij lasten jullie lasten zij lasten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gelast jij had gelast hij had gelast wij hadden gelast jullie hadden gelast zij hadden gelast
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal lassen jij zult lassen hij zal lassen wij zullen lassen jullie zullen lassen zij zullen lassen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gelast hebben jij zult gelast hebben hij zal gelast hebben wij zullen gelast hebben jullie zullen gelast hebben zij zullen gelast hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou lassen jij zou lassen hij zou lassen wij zouden lassen jullie zouden lassen zij zouden lassen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gelast hebben jij zou gelast hebben hij zou gelast hebben wij zouden gelast hebben jullie zouden gelast hebben zij zouden gelast hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
las
|
DE: lassenNL: lassen (gewähren): laten, toelaten, permitteren
EN: lassen (gewähren): allow
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
gelassen lassend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich lasse du läßt er läßt wir lassen ihr laßt sie; Sie lassen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe gelassen du hast gelassen er hat gelassen wir haben gelassen ihr habt gelassen sie; Sie haben gelassen
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich ließ du ließest er ließ wir ließen ihr ließt sie; Sie ließen
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte gelassen du hattest gelassen er hatte gelassen wir hatten gelassen ihr hattet gelassen sie; Sie hatten gelassen
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde lassen du wirst lassen er wird lassen wir werden lassen ihr werdet lassen sie; Sie werden lassen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde gelassen haben du wirst gelassen haben er wird gelassen haben wir werden gelassen haben ihr werdet gelassen haben sie; Sie werden gelassen haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich lasse du lassest er lasse wir lassen ihr lasset sie; Sie lassen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe gelassen du habest gelassen er habe gelassen wir haben gelassen ihr habet gelassen sie; Sie haben gelassen
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich ließe du ließest er ließe wir ließen ihr ließet sie; Sie ließen
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte gelassen du hättest gelassen er hätte gelassen wir hätten gelassen ihr hättet gelassen sie; Sie hätten gelassen
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde lassen du würdest lassen er würde lassen wir würden lassen ihr würdet lassen sie; Sie würden lassen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde gelassen haben du würdest gelassen haben er würde gelassen haben wir würden gelassen haben ihr würdet gelassen haben sie; Sie würden gelassen haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du laß; lasse
|