| Vervoegen: lappen |
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
| gelapt |
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
| ik lap jij lapt hij lapt wij lappen jullie lappen zij lappen |
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
| ik heb gelapt jij hebt gelapt hij heeft gelapt wij hebben gelapt jullie hebben gelapt zij hebben gelapt |
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
| ik lapte jij lapte hij lapte wij lapten jullie lapten zij lapten |
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
| ik had gelapt jij had gelapt hij had gelapt wij hadden gelapt jullie hadden gelapt zij hadden gelapt |
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
| ik zal lappen jij zult lappen hij zal lappen wij zullen lappen jullie zullen lappen zij zullen lappen |
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
| ik zal gelapt hebben jij zult gelapt hebben hij zal gelapt hebben wij zullen gelapt hebben jullie zullen gelapt hebben zij zullen gelapt hebben |
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
| ik zou lappen jij zou lappen hij zou lappen wij zouden lappen jullie zouden lappen zij zouden lappen |
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
| ik zou gelapt hebben jij zou gelapt hebben hij zou gelapt hebben wij zouden gelapt hebben jullie zouden gelapt hebben zij zouden gelapt hebben |
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
| lap |