NL: lanteren U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gelanterd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik lanter jij lantert hij lantert wij lanteren jullie lanteren zij lanteren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gelanterd jij hebt gelanterd hij heeft gelanterd wij hebben gelanterd jullie hebben gelanterd zij hebben gelanterd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik lanterde jij lanterde hij lanterde wij lanterden jullie lanterden zij lanterden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gelanterd jij had gelanterd hij had gelanterd wij hadden gelanterd jullie hadden gelanterd zij hadden gelanterd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal lanteren jij zult lanteren hij zal lanteren wij zullen lanteren jullie zullen lanteren zij zullen lanteren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gelanterd hebben jij zult gelanterd hebben hij zal gelanterd hebben wij zullen gelanterd hebben jullie zullen gelanterd hebben zij zullen gelanterd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou lanteren jij zou lanteren hij zou lanteren wij zouden lanteren jullie zouden lanteren zij zouden lanteren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gelanterd hebben jij zou gelanterd hebben hij zou gelanterd hebben wij zouden gelanterd hebben jullie zouden gelanterd hebben zij zouden gelanterd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
lanter
|