NL: landenSynoniemen: landen, aankomen op vliegveld
DE: an Land gehen, anlanden, geraten, hinkommen, sich niederlassen, heruntergehen, sich ausiedeln, sinken, zur Landung ansetzen
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geland
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik land jij landt hij landt wij landen jullie landen zij landen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik ben geland jij bent geland hij is geland wij zijn geland jullie zijn geland zij zijn geland
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik landde jij landde hij landde wij landden jullie landden zij landden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik was geland jij was geland hij was geland wij waren geland jullie waren geland zij waren geland
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal landen jij zult landen hij zal landen wij zullen landen jullie zullen landen zij zullen landen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geland zijn jij zult geland zijn hij zal geland zijn wij zullen geland zijn jullie zullen geland zijn zij zullen geland zijn
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou landen jij zou landen hij zou landen wij zouden landen jullie zouden landen zij zouden landen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geland zijn jij zou geland zijn hij zou geland zijn wij zouden geland zijn jullie zouden geland zijn zij zouden geland zijn
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
land
|
DE: landenSynoniemen: an Land gehen, anlanden, geraten, hinkommen, sich niederlassen, heruntergehen, sich ausiedeln, sinken, zur Landung ansetzen
NL: landen, aankomen op vliegveld
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
gelandet landend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich lande du landest er landet wir landen ihr landet sie; Sie landen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe gelandet du hast gelandet er hat gelandet wir haben gelandet ihr habt gelandet sie; Sie haben gelandet
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich landete du landetest er landete wir landeten ihr landetet sie; Sie landeten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte gelandet du hattest gelandet er hatte gelandet wir hatten gelandet ihr hattet gelandet sie; Sie hatten gelandet
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde landen du wirst landen er wird landen wir werden landen ihr werdet landen sie; Sie werden landen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde gelandet haben du wirst gelandet haben er wird gelandet haben wir werden gelandet haben ihr werdet gelandet haben sie; Sie werden gelandet haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich lande du landest er lande wir landen ihr landet sie; Sie landen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe gelandet du habest gelandet er habe gelandet wir haben gelandet ihr habet gelandet sie; Sie haben gelandet
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich landete du landetest er landete wir landeten ihr landetet sie; Sie landeten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte gelandet du hättest gelandet er hätte gelandet wir hätten gelandet ihr hättet gelandet sie; Sie hätten gelandet
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde landen du würdest landen er würde landen wir würden landen ihr würdet landen sie; Sie würden landen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde gelandet haben du würdest gelandet haben er würde gelandet haben wir würden gelandet haben ihr würdet gelandet haben sie; Sie würden gelandet haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du lande
|