NL: lallenDE: stottern, stammeln, holpern, lispeln
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gelald
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik lal jij lalt hij lalt wij lallen jullie lallen zij lallen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gelald jij hebt gelald hij heeft gelald wij hebben gelald jullie hebben gelald zij hebben gelald
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik lalde jij lalde hij lalde wij lalden jullie lalden zij lalden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gelald jij had gelald hij had gelald wij hadden gelald jullie hadden gelald zij hadden gelald
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal lallen jij zult lallen hij zal lallen wij zullen lallen jullie zullen lallen zij zullen lallen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gelald hebben jij zult gelald hebben hij zal gelald hebben wij zullen gelald hebben jullie zullen gelald hebben zij zullen gelald hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou lallen jij zou lallen hij zou lallen wij zouden lallen jullie zouden lallen zij zouden lallen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gelald hebben jij zou gelald hebben hij zou gelald hebben wij zouden gelald hebben jullie zouden gelald hebben zij zouden gelald hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
lal
|
DE: lallenSynoniemen: stottern, stammeln, holpern, lispeln
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
gelallt lallend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich lalle du lallst er lallt wir lallen ihr lallt sie; Sie lallen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe gelallt du hast gelallt er hat gelallt wir haben gelallt ihr habt gelallt sie; Sie haben gelallt
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich lallte du lalltest er lallte wir lallten ihr lalltet sie; Sie lallten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte gelallt du hattest gelallt er hatte gelallt wir hatten gelallt ihr hattet gelallt sie; Sie hatten gelallt
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde lallen du wirst lallen er wird lallen wir werden lallen ihr werdet lallen sie; Sie werden lallen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde gelallt haben du wirst gelallt haben er wird gelallt haben wir werden gelallt haben ihr werdet gelallt haben sie; Sie werden gelallt haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich lalle du lallest er lalle wir lallen ihr lallet sie; Sie lallen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe gelallt du habest gelallt er habe gelallt wir haben gelallt ihr habet gelallt sie; Sie haben gelallt
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich lallte du lalltest er lallte wir lallten ihr lalltet sie; Sie lallten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte gelallt du hättest gelallt er hätte gelallt wir hätten gelallt ihr hättet gelallt sie; Sie hätten gelallt
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde lallen du würdest lallen er würde lallen wir würden lallen ihr würdet lallen sie; Sie würden lallen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde gelallt haben du würdest gelallt haben er würde gelallt haben wir würden gelallt haben ihr würdet gelallt haben sie; Sie würden gelallt haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du lalle
|