NL: lakenSynoniemen: aanrekenen, afkeuren, berispen, beddenlaken, tafellaken, linnen, lakens, nadragen, blameren, beschuldigen, aanwrijven, voorhouden, verwijten, gispen, tafelkleedje, tafelkleed
DE: die Bettwäsche, die Linnen, das Leinen, das Leinentücher, das Bettlaken, die Weißwäsche, die Leinenwäsche, das Bettlinnen
EN: the sheet, the linen, the cloth
ES: la tela, la sábana, la ropa de cama, el lino, la sábanas, la mortaja, la ropa blanca
FR: le drap, la toile, le linge, le lin, le drap de lit
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gelaakt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik laak jij laakt hij laakt wij laken jullie laken zij laken
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gelaakt jij hebt gelaakt hij heeft gelaakt wij hebben gelaakt jullie hebben gelaakt zij hebben gelaakt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik laakte jij laakte hij laakte wij laakten jullie laakten zij laakten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gelaakt jij had gelaakt hij had gelaakt wij hadden gelaakt jullie hadden gelaakt zij hadden gelaakt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal laken jij zult laken hij zal laken wij zullen laken jullie zullen laken zij zullen laken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gelaakt hebben jij zult gelaakt hebben hij zal gelaakt hebben wij zullen gelaakt hebben jullie zullen gelaakt hebben zij zullen gelaakt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou laken jij zou laken hij zou laken wij zouden laken jullie zouden laken zij zouden laken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gelaakt hebben jij zou gelaakt hebben hij zou gelaakt hebben wij zouden gelaakt hebben jullie zouden gelaakt hebben zij zouden gelaakt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
laak
|