NL: ladenSynoniemen: laden
DE: Geschäft, Boutique, Handlung, Kaufhaus, Warenhaus, Schirm, Schutz, Fensterladen, Markise, Regenschirm, Rolladen, Sonnenschirm, Sonnenschutz, einladen, auffordern, invitieren, beladen, aufladen, auflasten, befrachten, belasten
EN: the charging
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geladen
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik laad jij laadt hij laadt wij laden jullie laden zij laden
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geladen jij hebt geladen hij heeft geladen wij hebben geladen jullie hebben geladen zij hebben geladen
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik laadde jij laadde hij laadde wij laadden jullie laadden zij laadden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geladen jij had geladen hij had geladen wij hadden geladen jullie hadden geladen zij hadden geladen
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal laden jij zult laden hij zal laden wij zullen laden jullie zullen laden zij zullen laden
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geladen hebben jij zult geladen hebben hij zal geladen hebben wij zullen geladen hebben jullie zullen geladen hebben zij zullen geladen hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou laden jij zou laden hij zou laden wij zouden laden jullie zouden laden zij zouden laden
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geladen hebben jij zou geladen hebben hij zou geladen hebben wij zouden geladen hebben jullie zouden geladen hebben zij zouden geladen hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
laad
|
DE: ladenSynoniemen: Geschäft, Boutique, Handlung, Kaufhaus, Warenhaus, Schirm, Schutz, Fensterladen, Markise, Regenschirm, Rolladen, Sonnenschirm, Sonnenschutz, einladen, auffordern, invitieren, beladen, aufladen, auflasten, befrachten, belasten
NL: laden
EN: the charging
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
geladen ladend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich lade du lädst er lädt wir laden ihr lad(e)t sie; Sie laden
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe geladen du hast geladen er hat geladen wir haben geladen ihr habt geladen sie; Sie haben geladen
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich lud du ludst er lud wir luden ihr ludt sie; Sie luden
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte geladen du hattest geladen er hatte geladen wir hatten geladen ihr hattet geladen sie; Sie hatten geladen
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde laden du wirst laden er wird laden wir werden laden ihr werdet laden sie; Sie werden laden
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde geladen haben du wirst geladen haben er wird geladen haben wir werden geladen haben ihr werdet geladen haben sie; Sie werden geladen haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich lade du ladest er lade wir laden ihr ladet sie; Sie laden
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe geladen du habest geladen er habe geladen wir haben geladen ihr habet geladen sie; Sie haben geladen
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich lüde du lüdest er lüde wir lüden ihr lüdet sie; Sie lüden
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte geladen du hättest geladen er hätte geladen wir hätten geladen ihr hättet geladen sie; Sie hätten geladen
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde laden du würdest laden er würde laden wir würden laden ihr würdet laden sie; Sie würden laden
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde geladen haben du würdest geladen haben er würde geladen haben wir würden geladen haben ihr würdet geladen haben sie; Sie würden geladen haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du lade; lad
|