NL: kruisigen U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gekruisigd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik kruisig jij kruisigt hij kruisigt wij kruisigen jullie kruisigen zij kruisigen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gekruisigd jij hebt gekruisigd hij heeft gekruisigd wij hebben gekruisigd jullie hebben gekruisigd zij hebben gekruisigd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik kruisigde jij kruisigde hij kruisigde wij kruisigden jullie kruisigden zij kruisigden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gekruisigd jij had gekruisigd hij had gekruisigd wij hadden gekruisigd jullie hadden gekruisigd zij hadden gekruisigd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal kruisigen jij zult kruisigen hij zal kruisigen wij zullen kruisigen jullie zullen kruisigen zij zullen kruisigen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gekruisigd hebben jij zult gekruisigd hebben hij zal gekruisigd hebben wij zullen gekruisigd hebben jullie zullen gekruisigd hebben zij zullen gekruisigd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou kruisigen jij zou kruisigen hij zou kruisigen wij zouden kruisigen jullie zouden kruisigen zij zouden kruisigen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gekruisigd hebben jij zou gekruisigd hebben hij zou gekruisigd hebben wij zouden gekruisigd hebben jullie zouden gekruisigd hebben zij zouden gekruisigd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
kruisig
|