NL: kruisenSynoniemen: patrouilleren, snijden, laveren
DE: kruisen (een kruis slaan): kreuzen, bekreuzigen
EN: kruisen (een kruis slaan): cross o.s., make the sign of the cross
ES: kruisen (een kruis slaan): cruzar, crucificar
FR: kruisen (een kruis slaan): contrecarrer, faire le signe de la croix
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gekruist
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik kruis jij kruist hij kruist wij kruisen jullie kruisen zij kruisen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gekruist jij hebt gekruist hij heeft gekruist wij hebben gekruist jullie hebben gekruist zij hebben gekruist
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik kruiste jij kruiste hij kruiste wij kruisten jullie kruisten zij kruisten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gekruist jij had gekruist hij had gekruist wij hadden gekruist jullie hadden gekruist zij hadden gekruist
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal kruisen jij zult kruisen hij zal kruisen wij zullen kruisen jullie zullen kruisen zij zullen kruisen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gekruist hebben jij zult gekruist hebben hij zal gekruist hebben wij zullen gekruist hebben jullie zullen gekruist hebben zij zullen gekruist hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou kruisen jij zou kruisen hij zou kruisen wij zouden kruisen jullie zouden kruisen zij zouden kruisen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gekruist hebben jij zou gekruist hebben hij zou gekruist hebben wij zouden gekruist hebben jullie zouden gekruist hebben zij zouden gekruist hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
kruis
|