NL: kriebelenSynoniemen: jeuken, prikkelen, kietelen
DE: kribbeln, jucken, kitzeln, krabbeln
EN: tickle, itch, titillate
ES: hacer cosquillas, cosquillear, picar, hormiguear, dar picazón
FR: chatouiller
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gekriebeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik kriebel jij kriebelt hij kriebelt wij kriebelen jullie kriebelen zij kriebelen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gekriebeld jij hebt gekriebeld hij heeft gekriebeld wij hebben gekriebeld jullie hebben gekriebeld zij hebben gekriebeld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik kriebelde jij kriebelde hij kriebelde wij kriebelden jullie kriebelden zij kriebelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gekriebeld jij had gekriebeld hij had gekriebeld wij hadden gekriebeld jullie hadden gekriebeld zij hadden gekriebeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal kriebelen jij zult kriebelen hij zal kriebelen wij zullen kriebelen jullie zullen kriebelen zij zullen kriebelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gekriebeld hebben jij zult gekriebeld hebben hij zal gekriebeld hebben wij zullen gekriebeld hebben jullie zullen gekriebeld hebben zij zullen gekriebeld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou kriebelen jij zou kriebelen hij zou kriebelen wij zouden kriebelen jullie zouden kriebelen zij zouden kriebelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gekriebeld hebben jij zou gekriebeld hebben hij zou gekriebeld hebben wij zouden gekriebeld hebben jullie zouden gekriebeld hebben zij zouden gekriebeld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
kriebel
|