NL: kreukelenSynoniemen: verkreukelen, verfrommelen
DE: zerknittern, knittern
EN: wrinkle, rumple, ripple
ES: arrugar, fruncir, estrujar, rizar, arrugarse
FR: froisser, plisser, chiffonner, se froisser, se plisser, se chiffonner
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gekreukeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik kreukel jij kreukelt hij kreukelt wij kreukelen jullie kreukelen zij kreukelen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gekreukeld jij hebt gekreukeld hij heeft gekreukeld wij hebben gekreukeld jullie hebben gekreukeld zij hebben gekreukeld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik kreukelde jij kreukelde hij kreukelde wij kreukelden jullie kreukelden zij kreukelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gekreukeld jij had gekreukeld hij had gekreukeld wij hadden gekreukeld jullie hadden gekreukeld zij hadden gekreukeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal kreukelen jij zult kreukelen hij zal kreukelen wij zullen kreukelen jullie zullen kreukelen zij zullen kreukelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gekreukeld hebben jij zult gekreukeld hebben hij zal gekreukeld hebben wij zullen gekreukeld hebben jullie zullen gekreukeld hebben zij zullen gekreukeld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou kreukelen jij zou kreukelen hij zou kreukelen wij zouden kreukelen jullie zouden kreukelen zij zouden kreukelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gekreukeld hebben jij zou gekreukeld hebben hij zou gekreukeld hebben wij zouden gekreukeld hebben jullie zouden gekreukeld hebben zij zouden gekreukeld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
kreukel
|