NL: krakelenSynoniemen: hakketakken, twisten, strijden, redetwisten, disputeren, ruziën, kijven, kiften
DE: krakelen (ruzie maken): schimpfen, streiten, schelten, zanken, keifen, sichzanken, sichstreiten
EN: krakelen (ruzie maken): quarrel, wrangle, bicker, make trouble, altercate
ES: krakelen (ruzie maken): disputar, discutir, altercar, pelear, regañar
FR: krakelen (ruzie maken): se disputer, se quereller, argumenter, se chamailler
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gekrakeeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik krakeel jij krakeelt hij krakeelt wij krakelen jullie krakelen zij krakelen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gekrakeeld jij hebt gekrakeeld hij heeft gekrakeeld wij hebben gekrakeeld jullie hebben gekrakeeld zij hebben gekrakeeld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik krakeelde jij krakeelde hij krakeelde wij krakeelden jullie krakeelden zij krakeelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gekrakeeld jij had gekrakeeld hij had gekrakeeld wij hadden gekrakeeld jullie hadden gekrakeeld zij hadden gekrakeeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal krakelen jij zult krakelen hij zal krakelen wij zullen krakelen jullie zullen krakelen zij zullen krakelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gekrakeeld hebben jij zult gekrakeeld hebben hij zal gekrakeeld hebben wij zullen gekrakeeld hebben jullie zullen gekrakeeld hebben zij zullen gekrakeeld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou krakelen jij zou krakelen hij zou krakelen wij zouden krakelen jullie zouden krakelen zij zouden krakelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gekrakeeld hebben jij zou gekrakeeld hebben hij zou gekrakeeld hebben wij zouden gekrakeeld hebben jullie zouden gekrakeeld hebben zij zouden gekrakeeld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
krakeel
|