NL: kostenDE: Unkosten, Spesen, Aufwand, Aufwendungen, Ausgaben, Auslagen, Lasten, wert sein, was kostet das, wie teuer ist das, probieren, prüfen, versuchen, brauchen, nötig haben, bedürfen, erforderlich sein, notwendig sein, nötig sein
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gekost
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik kost jij kost hij kost wij kosten jullie kosten zij kosten
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gekost jij hebt gekost hij heeft gekost wij hebben gekost jullie hebben gekost zij hebben gekost
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik kostte jij kostte hij kostte wij kostten jullie kostten zij kostten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gekost jij had gekost hij had gekost wij hadden gekost jullie hadden gekost zij hadden gekost
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal kosten jij zult kosten hij zal kosten wij zullen kosten jullie zullen kosten zij zullen kosten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gekost hebben jij zult gekost hebben hij zal gekost hebben wij zullen gekost hebben jullie zullen gekost hebben zij zullen gekost hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou kosten jij zou kosten hij zou kosten wij zouden kosten jullie zouden kosten zij zouden kosten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gekost hebben jij zou gekost hebben hij zou gekost hebben wij zouden gekost hebben jullie zouden gekost hebben zij zouden gekost hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
kost
|
DE: kostenSynoniemen: Unkosten, Spesen, Aufwand, Aufwendungen, Ausgaben, Auslagen, Lasten, wert sein, was kostet das, wie teuer ist das, probieren, prüfen, versuchen, brauchen, nötig haben, bedürfen, erforderlich sein, notwendig sein, nötig sein
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
gekostet kostend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich koste du kostest er kostet wir kosten ihr kostet sie; Sie kosten
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe gekostet du hast gekostet er hat gekostet wir haben gekostet ihr habt gekostet sie; Sie haben gekostet
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich kostete du kostetest er kostete wir kosteten ihr kostetet sie; Sie kosteten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte gekostet du hattest gekostet er hatte gekostet wir hatten gekostet ihr hattet gekostet sie; Sie hatten gekostet
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde kosten du wirst kosten er wird kosten wir werden kosten ihr werdet kosten sie; Sie werden kosten
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde gekostet haben du wirst gekostet haben er wird gekostet haben wir werden gekostet haben ihr werdet gekostet haben sie; Sie werden gekostet haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich koste du kostest er koste wir kosten ihr kostet sie; Sie kosten
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe gekostet du habest gekostet er habe gekostet wir haben gekostet ihr habet gekostet sie; Sie haben gekostet
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich kostete du kostetest er kostete wir kosteten ihr kostetet sie; Sie kosteten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte gekostet du hättest gekostet er hätte gekostet wir hätten gekostet ihr hättet gekostet sie; Sie hätten gekostet
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde kosten du würdest kosten er würde kosten wir würden kosten ihr würdet kosten sie; Sie würden kosten
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde gekostet haben du würdest gekostet haben er würde gekostet haben wir würden gekostet haben ihr würdet gekostet haben sie; Sie würden gekostet haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du koste
|