Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen

kosten vervoegen

Vul een werkwoord of werkwoordsvorm in van een Nederlands, Duits,
Engels, Frans of Spaans werkwoord.
Bv: denken, dacht, sms'en, sein, have, avoir, être, aller, hablar





DE: kosten

NL: kosten
DE: Unkosten, Spesen, Aufwand, Aufwendungen, Ausgaben, Auslagen, Lasten, wert sein, was kostet das, wie teuer ist das, probieren, prüfen, versuchen, brauchen, nötig haben, bedürfen, erforderlich sein, notwendig sein, nötig sein

U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)

Voltooid deelwoord
Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen`
gekost
Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt.
ik kost
jij kost
hij kost
wij kosten
jullie kosten
zij kosten
Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn.
ik heb gekost
jij hebt gekost
hij heeft gekost
wij hebben gekost
jullie hebben gekost
zij hebben gekost
Onvoltooid verleden tijd (ovt)
Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is.
ik kostte
jij kostte
hij kostte
wij kostten
jullie kostten
zij kostten
Voltooid verleden tijd (vvt)
wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren.
ik had gekost
jij had gekost
hij had gekost
wij hadden gekost
jullie hadden gekost
zij hadden gekost
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden.
ik zal kosten
jij zult kosten
hij zal kosten
wij zullen kosten
jullie zullen kosten
zij zullen kosten
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn.
ik zal gekost hebben
jij zult gekost hebben
hij zal gekost hebben
wij zullen gekost hebben
jullie zullen gekost hebben
zij zullen gekost hebben
Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden.
ik zou kosten
jij zou kosten
hij zou kosten
wij zouden kosten
jullie zouden kosten
zij zouden kosten
Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn.
ik zou gekost hebben
jij zou gekost hebben
hij zou gekost hebben
wij zouden gekost hebben
jullie zouden gekost hebben
zij zouden gekost hebben
Gebiedende wijs
bv. `Ga weg!`
kost


DE: kosten
Synoniemen: Unkosten, Spesen, Aufwand, Aufwendungen, Ausgaben, Auslagen, Lasten, wert sein, was kostet das, wie teuer ist das, probieren, prüfen, versuchen, brauchen, nötig haben, bedürfen, erforderlich sein, notwendig sein, nötig sein
Partizip Perfekt & Präsens
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II)
`komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I)
gekostet
kostend
Indikativ Präsens
der Indikativ = aantonende wijs
ich koste
du kostest
er kostet
wir kosten
ihr kostet
sie; Sie kosten
Indikativ Perfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich habe gekostet
du hast gekostet
er hat gekostet
wir haben gekostet
ihr habt gekostet
sie; Sie haben gekostet
Indikativ Präteritum
der Indikativ = aantonende wijs
ich kostete
du kostetest
er kostete
wir kosteten
ihr kostetet
sie; Sie kosteten
Indikativ Plusquamperfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich hatte gekostet
du hattest gekostet
er hatte gekostet
wir hatten gekostet
ihr hattet gekostet
sie; Sie hatten gekostet
Indikativ Futur I
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde kosten
du wirst kosten
er wird kosten
wir werden kosten
ihr werdet kosten
sie; Sie werden kosten
Indikativ Futur II
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde gekostet haben
du wirst gekostet haben
er wird gekostet haben
wir werden gekostet haben
ihr werdet gekostet haben
sie; Sie werden gekostet haben
Konjunktiv I Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich koste
du kostest
er koste
wir kosten
ihr kostet
sie; Sie kosten
Konjunktiv I Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich habe gekostet
du habest gekostet
er habe gekostet
wir haben gekostet
ihr habet gekostet
sie; Sie haben gekostet
Konjunktiv II Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich kostete
du kostetest
er kostete
wir kosteten
ihr kostetet
sie; Sie kosteten
Konjunktiv II Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich hätte gekostet
du hättest gekostet
er hätte gekostet
wir hätten gekostet
ihr hättet gekostet
sie; Sie hätten gekostet
Konjunktiv II Futur I
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde kosten
du würdest kosten
er würde kosten
wir würden kosten
ihr würdet kosten
sie; Sie würden kosten
Konjunktiv II Futur II
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde gekostet haben
du würdest gekostet haben
er würde gekostet haben
wir würden gekostet haben
ihr würdet gekostet haben
sie; Sie würden gekostet haben
der Imperativ
der Imperativ = gebiedende wijs
du koste

Directe link naar deze pagina:

http://www.mijnwoordenboek.nl/werkwoord/kosten

Werkwoorden A tot (en met) Z



Nederlandse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Duitse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Engelse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Franse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Spaanse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z



© Mijnwoordenboek MMXII | Contact | Privacy | Vaakst vertaald | In English