NL: kortsluitenDE: kurzschließen
EN: short-circuit
ES: hacer un corto circuito, desconectar por corto circuito
FR: court-circuiter
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
kortgesloten
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik sluit kort jij sluit kort hij sluit kort wij sluiten kort jullie sluiten kort zij sluiten kort
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb kortgesloten jij hebt kortgesloten hij heeft kortgesloten wij hebben kortgesloten jullie hebben kortgesloten zij hebben kortgesloten
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik sloot kort jij sloot kort hij sloot kort wij sloten kort jullie sloten kort zij sloten kort
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had kortgesloten jij had kortgesloten hij had kortgesloten wij hadden kortgesloten jullie hadden kortgesloten zij hadden kortgesloten
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal kortsluiten jij zult kortsluiten hij zal kortsluiten wij zullen kortsluiten jullie zullen kortsluiten zij zullen kortsluiten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal kortgesloten hebben jij zult kortgesloten hebben hij zal kortgesloten hebben wij zullen kortgesloten hebben jullie zullen kortgesloten hebben zij zullen kortgesloten hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou kortsluiten jij zou kortsluiten hij zou kortsluiten wij zouden kortsluiten jullie zouden kortsluiten zij zouden kortsluiten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou kortgesloten hebben jij zou kortgesloten hebben hij zou kortgesloten hebben wij zouden kortgesloten hebben jullie zouden kortgesloten hebben zij zouden kortgesloten hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
sluit kort
|