NL: konkelenSynoniemen: complotteren, intrigeren, kuipen
DE: intrigieren
EN: scheme, connive
ES: intrigar, aportar, contribuir, enredar, hacer entrar
FR: intriguer, grenouiller, magouiller
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gekonkeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik konkel jij konkelt hij konkelt wij konkelen jullie konkelen zij konkelen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gekonkeld jij hebt gekonkeld hij heeft gekonkeld wij hebben gekonkeld jullie hebben gekonkeld zij hebben gekonkeld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik konkelde jij konkelde hij konkelde wij konkelden jullie konkelden zij konkelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gekonkeld jij had gekonkeld hij had gekonkeld wij hadden gekonkeld jullie hadden gekonkeld zij hadden gekonkeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal konkelen jij zult konkelen hij zal konkelen wij zullen konkelen jullie zullen konkelen zij zullen konkelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gekonkeld hebben jij zult gekonkeld hebben hij zal gekonkeld hebben wij zullen gekonkeld hebben jullie zullen gekonkeld hebben zij zullen gekonkeld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou konkelen jij zou konkelen hij zou konkelen wij zouden konkelen jullie zouden konkelen zij zouden konkelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gekonkeld hebben jij zou gekonkeld hebben hij zou gekonkeld hebben wij zouden gekonkeld hebben jullie zouden gekonkeld hebben zij zouden gekonkeld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
konkel
|