NL: koesterenSynoniemen: baden, troetelen, zonnen, koestering, broeden, verwennen, vertroetelen
DE: streicheln, knuddeln, kuscheln, schmusen
EN: cherish, nourish, coddle, nurse
ES: acariciar, abrigar, arrellanarse
FR: caresser, nourrir
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gekoesterd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik koester jij koestert hij koestert wij koesteren jullie koesteren zij koesteren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gekoesterd jij hebt gekoesterd hij heeft gekoesterd wij hebben gekoesterd jullie hebben gekoesterd zij hebben gekoesterd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik koesterde jij koesterde hij koesterde wij koesterden jullie koesterden zij koesterden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gekoesterd jij had gekoesterd hij had gekoesterd wij hadden gekoesterd jullie hadden gekoesterd zij hadden gekoesterd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal koesteren jij zult koesteren hij zal koesteren wij zullen koesteren jullie zullen koesteren zij zullen koesteren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gekoesterd hebben jij zult gekoesterd hebben hij zal gekoesterd hebben wij zullen gekoesterd hebben jullie zullen gekoesterd hebben zij zullen gekoesterd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou koesteren jij zou koesteren hij zou koesteren wij zouden koesteren jullie zouden koesteren zij zouden koesteren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gekoesterd hebben jij zou gekoesterd hebben hij zou gekoesterd hebben wij zouden gekoesterd hebben jullie zouden gekoesterd hebben zij zouden gekoesterd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
koester
|