NL: knorrenSynoniemen: brommen, ronken, zagen, snorren
DE: schnurren, grunzen, knurren, schieben, schimpfen, spucken, summen, meckern, brummen, schwirren, brodeln, murren, stottern, brutzeln, gurren
EN: rumble, growl, chanter, snarl, grouse, grumble
ES: murmurar, gruñir, rezongar, hacer ruidos
FR: ronchonner, grommeler, gronder, grogner, rouspéter
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geknord
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik knor jij knort hij knort wij knorren jullie knorren zij knorren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geknord jij hebt geknord hij heeft geknord wij hebben geknord jullie hebben geknord zij hebben geknord
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik knorde jij knorde hij knorde wij knorden jullie knorden zij knorden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geknord jij had geknord hij had geknord wij hadden geknord jullie hadden geknord zij hadden geknord
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal knorren jij zult knorren hij zal knorren wij zullen knorren jullie zullen knorren zij zullen knorren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geknord hebben jij zult geknord hebben hij zal geknord hebben wij zullen geknord hebben jullie zullen geknord hebben zij zullen geknord hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou knorren jij zou knorren hij zou knorren wij zouden knorren jullie zouden knorren zij zouden knorren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geknord hebben jij zou geknord hebben hij zou geknord hebben wij zouden geknord hebben jullie zouden geknord hebben zij zouden geknord hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
knor
|