NL: knevelenSynoniemen: binden, knechten, knopen, strikken, vastbinden, vastmaken
EN: tie, bind, tie up, bind fast, pinion, fasten, bind up, join
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gekneveld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik knevel jij knevelt hij knevelt wij knevelen jullie knevelen zij knevelen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gekneveld jij hebt gekneveld hij heeft gekneveld wij hebben gekneveld jullie hebben gekneveld zij hebben gekneveld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik knevelde jij knevelde hij knevelde wij knevelden jullie knevelden zij knevelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gekneveld jij had gekneveld hij had gekneveld wij hadden gekneveld jullie hadden gekneveld zij hadden gekneveld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal knevelen jij zult knevelen hij zal knevelen wij zullen knevelen jullie zullen knevelen zij zullen knevelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gekneveld hebben jij zult gekneveld hebben hij zal gekneveld hebben wij zullen gekneveld hebben jullie zullen gekneveld hebben zij zullen gekneveld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou knevelen jij zou knevelen hij zou knevelen wij zouden knevelen jullie zouden knevelen zij zouden knevelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gekneveld hebben jij zou gekneveld hebben hij zou gekneveld hebben wij zouden gekneveld hebben jullie zouden gekneveld hebben zij zouden gekneveld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
knevel
|