NL: knechtenDE: unterwerfen, unterdrücken, beherrschen, herrschen über, niederhalten, seinen Willen aufzwingen, tyrannisieren, unter dem Daumen halten, unter der Fuchtel halten, Vorschriften machen
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geknecht
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik knecht jij knecht hij knecht wij knechten jullie knechten zij knechten
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geknecht jij hebt geknecht hij heeft geknecht wij hebben geknecht jullie hebben geknecht zij hebben geknecht
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik knechtte jij knechtte hij knechtte wij knechtten jullie knechtten zij knechtten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geknecht jij had geknecht hij had geknecht wij hadden geknecht jullie hadden geknecht zij hadden geknecht
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal knechten jij zult knechten hij zal knechten wij zullen knechten jullie zullen knechten zij zullen knechten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geknecht hebben jij zult geknecht hebben hij zal geknecht hebben wij zullen geknecht hebben jullie zullen geknecht hebben zij zullen geknecht hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou knechten jij zou knechten hij zou knechten wij zouden knechten jullie zouden knechten zij zouden knechten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geknecht hebben jij zou geknecht hebben hij zou geknecht hebben wij zouden geknecht hebben jullie zouden geknecht hebben zij zouden geknecht hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
knecht
|
DE: knechtenSynoniemen: unterwerfen, unterdrücken, beherrschen, herrschen über, niederhalten, seinen Willen aufzwingen, tyrannisieren, unter dem Daumen halten, unter der Fuchtel halten, Vorschriften machen
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
geknechtet knechtend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich knechte du knechtest er knechtet wir knechten ihr knechtet sie; Sie knechten
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe geknechtet du hast geknechtet er hat geknechtet wir haben geknechtet ihr habt geknechtet sie; Sie haben geknechtet
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich knechtete du knechtetest er knechtete wir knechteten ihr knechtetet sie; Sie knechteten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte geknechtet du hattest geknechtet er hatte geknechtet wir hatten geknechtet ihr hattet geknechtet sie; Sie hatten geknechtet
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde knechten du wirst knechten er wird knechten wir werden knechten ihr werdet knechten sie; Sie werden knechten
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde geknechtet haben du wirst geknechtet haben er wird geknechtet haben wir werden geknechtet haben ihr werdet geknechtet haben sie; Sie werden geknechtet haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich knechte du knechtest er knechte wir knechten ihr knechtet sie; Sie knechten
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe geknechtet du habest geknechtet er habe geknechtet wir haben geknechtet ihr habet geknechtet sie; Sie haben geknechtet
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich knechtete du knechtetest er knechtete wir knechteten ihr knechtetet sie; Sie knechteten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte geknechtet du hättest geknechtet er hätte geknechtet wir hätten geknechtet ihr hättet geknechtet sie; Sie hätten geknechtet
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde knechten du würdest knechten er würde knechten wir würden knechten ihr würdet knechten sie; Sie würden knechten
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde geknechtet haben du würdest geknechtet haben er würde geknechtet haben wir würden geknechtet haben ihr würdet geknechtet haben sie; Sie würden geknechtet haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du knechte
|