NL: klokkenSynoniemen: klotsen, tijd opnemen, timen
DE: die Glocken, die Uhren, die Kirchuhren
EN: the clocks, the timepieces
FR: la cloches, la horloges
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geklokt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik klok jij klokt hij klokt wij klokken jullie klokken zij klokken
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geklokt jij hebt geklokt hij heeft geklokt wij hebben geklokt jullie hebben geklokt zij hebben geklokt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik klokte jij klokte hij klokte wij klokten jullie klokten zij klokten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geklokt jij had geklokt hij had geklokt wij hadden geklokt jullie hadden geklokt zij hadden geklokt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal klokken jij zult klokken hij zal klokken wij zullen klokken jullie zullen klokken zij zullen klokken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geklokt hebben jij zult geklokt hebben hij zal geklokt hebben wij zullen geklokt hebben jullie zullen geklokt hebben zij zullen geklokt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou klokken jij zou klokken hij zou klokken wij zouden klokken jullie zouden klokken zij zouden klokken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geklokt hebben jij zou geklokt hebben hij zou geklokt hebben wij zouden geklokt hebben jullie zouden geklokt hebben zij zouden geklokt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
klok
|