NL: klittenSynoniemen: aaneenplakken, kleven, plakken, samenplakken, vastplakken, vastlijmen
EN: klitten (aan elkaar kleven): stick, patch, glue together, stick together, glue
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geklit
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik klit jij klit hij klit wij klitten jullie klitten zij klitten
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geklit jij hebt geklit hij heeft geklit wij hebben geklit jullie hebben geklit zij hebben geklit
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik klitte jij klitte hij klitte wij klitten jullie klitten zij klitten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geklit jij had geklit hij had geklit wij hadden geklit jullie hadden geklit zij hadden geklit
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal klitten jij zult klitten hij zal klitten wij zullen klitten jullie zullen klitten zij zullen klitten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geklit hebben jij zult geklit hebben hij zal geklit hebben wij zullen geklit hebben jullie zullen geklit hebben zij zullen geklit hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou klitten jij zou klitten hij zou klitten wij zouden klitten jullie zouden klitten zij zouden klitten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geklit hebben jij zou geklit hebben hij zou geklit hebben wij zouden geklit hebben jullie zouden geklit hebben zij zouden geklit hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
klit
|