NL: klimmen U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geklommen
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik klim jij klimt hij klimt wij klimmen jullie klimmen zij klimmen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geklommen jij hebt geklommen hij heeft geklommen wij hebben geklommen jullie hebben geklommen zij hebben geklommen
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik klom jij klom hij klom wij klommen jullie klommen zij klommen
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geklommen jij had geklommen hij had geklommen wij hadden geklommen jullie hadden geklommen zij hadden geklommen
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal klimmen jij zult klimmen hij zal klimmen wij zullen klimmen jullie zullen klimmen zij zullen klimmen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geklommen hebben jij zult geklommen hebben hij zal geklommen hebben wij zullen geklommen hebben jullie zullen geklommen hebben zij zullen geklommen hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou klimmen jij zou klimmen hij zou klimmen wij zouden klimmen jullie zouden klimmen zij zouden klimmen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geklommen hebben jij zou geklommen hebben hij zou geklommen hebben wij zouden geklommen hebben jullie zouden geklommen hebben zij zouden geklommen hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
klim
|
DE: klimmen| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
geklommen klimmend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich klimme du klimmst er klimmt wir klimmen ihr klimmt sie; Sie klimmen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich bin geklommen du bist geklommen er ist geklommen wir sind geklommen ihr seid geklommen sie; Sie sind geklommen
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich klomm du klommst er klomm wir klommen ihr klommt sie; Sie klommen
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich war geklommen du warst geklommen er war geklommen wir waren geklommen ihr wart geklommen sie; Sie waren geklommen
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde klimmen du wirst klimmen er wird klimmen wir werden klimmen ihr werdet klimmen sie; Sie werden klimmen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde geklommen sein du wirst geklommen sein er wird geklommen sein wir werden geklommen sein ihr werdet geklommen sein sie; Sie werden geklommen sein
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich klimme du klimmest er klimme wir klimmen ihr klimmet sie; Sie klimmen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich sei geklommen du seiest geklommen er sei geklommen wir seien geklommen ihr seiet geklommen sie; Sie seien geklommen
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich klömme du klömmest er klömme wir klömmen ihr klömmet sie; Sie klömmen
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich wäre geklommen du wärest geklommen er wäre geklommen wir wären geklommen ihr wäret geklommen sie; Sie wären geklommen
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde klimmen du würdest klimmen er würde klimmen wir würden klimmen ihr würdet klimmen sie; Sie würden klimmen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde geklommen sein du würdest geklommen sein er würde geklommen sein wir würden geklommen sein ihr würdet geklommen sein sie; Sie würden geklommen sein
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du klimme; klimm
|